Kledijkosten: een aftrekbare beroepskost of niet?

16/01/2009

Kosten voor kledij zijn in de regel niet aftrekbaar als beroepskost. Dit geldt zowel voor de kosten van kledij die de belastingplichtige zelf draagt als voor de kosten van kledij voor het personeel (of de terugbetalingen van kledijkosten gemaakt door het personeel). Niet alleen de kosten voor de aankoop van kledij vallen onder deze aftrekbeperking, maar ook de kosten van het onderhoud (bv. was, droogkuis, onderhoud en herstellingen). Bovenstaand is zowel van toepassing in de vennootschapsbelasting als in de personenbelasting.
 
De wetgever voorziet op deze regeling echter 2 uitzonderingen. Zo vormen de kosten voor kledij wel een aftrekbare beroepskost indien:
 
·          De kledij door de reglementering op de arbeidsbescherming of door een collectieve arbeidsovereenkomst als werkkledij wordt opgelegd: bv een overall, helm, veiligheidsschoenen,  een short/kiel, uniform,…;
 
of indien
 
·          De kledij als bijzondere kledij voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid wordt gedragen, daaraan is aangepast en wegens de aard van de beroepswerkzaamheid verplicht, noodzakelijk of gebruikelijk is. Voorbeelden hiervan zijn bijzondere kledij van artsen, werkvesten van bv slager/bakker, de toga van een advocaat of het glitterpakje van een zanger/goochelaar.
 
Enkel de kosten voor specifieke beroepskledij zijn dus aftrekbaar. Op te merken hierbij is dat kledij die in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij wordt beschouwd, nooit een aftrekbare beroepskost kan zijn. Derhalve kan een kostuum nooit een aftrekbare beroepskost uitmaken. De kosten voor kledingstukken aangekocht naar aanleiding van een buitenlandse zakenreis en die in ons land in het privé-leven niet kunnen worden gedragen zijn wel aftrekbaar als beroepskost. Bv. een eskimopak om in Groenland een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
 
In de praktijk houden veel belastingplichtigen zich echter niet aan deze regeling en brengen de niet-specifieke kledingkosten (voor de bedrijfsleiders en/of personeelsleden) toch in mindering van de belastbare basis.
 
Naar aanleiding van een fiscale controle zal de belastingsadministratie de kosten inzake niet-specifieke kledij kunnen belasten. Het taxatiestelsel verschilt naargelang het bedrijf onderworpen is aan vennootschapbelasting dan wel een eenmanszaak is die aan de personenbelasting onderworpen is.
 
Is het bedrijf onderworpen aan de personenbelasting dan zal de belastingsadministratie naar aanleiding van een fiscale controle de kosten voor niet-specifieke beroepskledij (mogelijks) beschouwen als een verworpen uitgave en dus terug bij de belastbare basis voegen, waardoor niet langer een belastingsbesparing wordt gerealiseerd.
 
Is de onderneming een vennootschap dat kan de fiscale administratie een gelijkaardige werkwijze toepassen als in de personenbelasting. Evenwel kan het erger. Zo bestaat de kans dat de fiscus de kledingkosten zal beschouwen als een voordeel van alle aard in hoofde van de ontvanger, zijnde de bedrijfsleider of werknemer. Deze zal hierop dan belast worden in de personenbelasting. Voor de vennootschap is de kledijkost dan wel aftrek gezien deze beschouwd wordt al de uitkering van een loon. Echter aangezien in dergelijk geval deze voordelen niet werden vermeld op de betreffende loonfiche van de bedrijfsleider/werknemer, kan de fiscus deze beschouwen als een niet-aangegeven bezoldiging en de vennootschap een “boete” opleggen ten belope van 309% van het niet aangegeven bedrag, de zogenaamde aanslag geheime commissielonen. Deze aanslag geheime commissielonen vormt wel een aftrekbare kost voor de vennootschap
 
Een voorbeeld ter verduidelijking.
Stel een bedrijfsleidster wenst een nieuw tailleurke (750,00 EUR) te kopen. Gezien ze deze aankoop doet in het kader van een personeelsfeestje, beslist ze een factuur te vragen op naam van haar vennootschap. In eerste instantie levert deze bijkomende kost een belastingsbesparing in de vennootschapbelasting op van 255,00 EUR. (750,00 * 34%). De totale netto- uitgave bedraagt dus 495 EUR (750,00 EUR – 255,00 EUR).
 
Wordt de kost naar aanleiding van een fiscale controle evenwel beschouwd als een voordeel van alle aard in hoofde van de bedrijfsleidster, dan kan dit zowel gevolgen hebben voor de bedrijfsleidster (personenbelasting) als voor de vennootschap (vennootschapsbelasting). Het “kosten”plaatje kan er dan als volgt uitzien.
 
In hoofde van de genieter:
Personenbelasting (incl. gemeentebelasting) : 750,00 * 53% = 397.50 EUR
 
In hoofde van de verstrekker:
          Aankoop kledij                                                                               750,00 EUR              
          Kledij is een aftrekbare beroepskost:                               750,00 * 34% =  -255,00 EUR
          Aanslag geheime commissielonen:                                 750,00 * 309% = 2.317.50 EUR
          Aanslag geheime commissieloon is aftrekbaar:        2.317,50 EUR * 34% =  -787,95 EUR
          Totale uitgave                                                                        2.024,55 EUR              
 
De totale uitgave met betrekking tot de aankoop van het kledingstuk bedraagt dus 2.422,05 EUR (397,50 + 2.024,55).
 
Om de bedrijfsleidster te kunnen voorzien van een tailleurke wordt in de vennootschap dus een aftrekbare kost gemaakt 3.067,50 EUR, zijnde 750 EUR voor de aankoop en 2.317,50 EUR m.b.t. de aanslag geheime commissielonen. De totale (aftrekbare) kost voor de vennootschap loopt dus op tot meer dan 4 keer de prijs van het kledingstuk. Bovendien ontvangt de bedrijfsleider het kledingstuk niet zomaar. Zij zal op dit voordeel 397,50 EUR personenbelasting verschuldigd zijn. Het (netto) voordeel in hoofde van de bedrijfsleider bedraagt dus nog slechts 352,50 EUR (zijnde 750,00 EUR – 397.50 EUR).
 
Algemeen gezien bedraagt de loonkost voor de onderneming ongeveer 3 keer het nettoloon dat de bedrijfsleider/werknemer overhoudt. Kiest de vennootschap er dus voor aan de bedrijfsleider een (extra) nettoloon (dus na aftrek van de verschuldigde personenbelasting/bedrijfsvoorheffing) uit te keren ten belope van de prijs van het kledingstuk, zijnde 750,00 EUR, dan had de vennootschap daarvoor “slechts” een (aftrekbare) loonkost gehad ten belope van 3 keer de prijs van het kledingstuk, zijnde 2.250,00 EUR gehad.
 
De bedrijfsleider houdt in dit laatste geval dus netto meer over (zijnde 750,00 i.p.v. 352,50 EUR of anders gesteld meer dan 50% van de prijs van het kledingstuk) en de kost voor de vennootschap is aanzienlijk lager (zijnde 2.250,00 EUR i.p.v. 3.067,50 EUR of anders gesteld meer dan 1 keer de waarde van het kledingstuk). Opgelet dus wanneer u zou overwegen de kosten van niet-specifieke kledijkosten in de boekhouding van uw vennootschap op te nemen.
 
Wouter Iliano